De neergang van

een motorcrosser

Ouwe Sigmans houdt

nog aardig bij”


Elf jaar geleden won Frans Sigmans, 19 jaar oud, de befaamde motorcross van Sint Anthonis. En het jaar daarop weer. Dit jaar werd hij achtste in de eerste manche, in de tweede viel hij uit. Paul van Engen beschrijft de slotfase van een carrière die van triomf en populariteit via een reeks van ongelukken verviel tot routine en weemoed.

Het was op woensdagmiddag altijd hetzelfde gedonder. Frans Sigmans zei nadrukkelijk dat hij rond half vier naar het circuit zou vertrekken om met de motor te trainen. Dus je was er rond half vier. En dan zag je dat hij nog steeds achter de toonbank van zijn zaak de zoveelste motor of gewoon wat onderdelen stond te verkopen. Er was vaak een rij wachtende mensen.

“ We gaan zo,” zei Frans. Een half uur later was hij klaar.

“Moet je nou gaan trainen Frans?” vroeg zijn vrouw dringend. “Je weet dat ‘t op woensdagmiddag altijd druk is in de zaak.” “Ja, maar ‘t ken nie anders.”

“Ken je ‘s morgens dan niet trainen?”

“Nee, da’s niks,” wees Frans af. Hij praatte Brabants en Hollands door mekaar. “Binnenkort ken ik ‘s avonds gaan. Blijft ‘t langer licht. En nou moet ik rap gaan, anders verleer ik ‘t crossen nog.” Hij deed zijn jack aan, zei: ‘Tot straks’ en vertrok.

Het circuit lag afgelegen in een naaldbos. Het was er vochtig. De grond was zanderig en los.

Een groepje nieuwsgierige mannen met de handen in de zakken verzamelde zich rond de bus van Frans.

“ Wat bende laat,” merkte een van de mannen op.

“ De zaak hè,” zei Frans. Hij duwde zijn motor naar buiten.

De man knikte berustend. “Ja, dat zijn we onderhand van je gewend.”

“Efkes pissen,” zei Frans. Hij liep een paar meter het bos in. Een witte VW stopte met een kort remspoor naast de bus van Frans. De man die eruit stapte hield een vet konijn bij de achterpoten. “Waar is Frans?” “ Pissen. “

De man legde het dode konijn op de achterbumper van de bus. Hij keek tevreden in het rond en hield een wijsvinger tegen de lippen. “Sssstt. Veur Frans.”

“Hoe bende da aangekomen?” vroeg iemand wantrouwig.

“Gisteren aangereden.”

“Dan hedde wel heel zachtjes gereden,” meende een ander. “Dat dierke ziet er nog gaaf uit.”

“Ge het ‘m toch nie per ongeluk gestroopt hè?”

“Ikke? . . . Stropen? . . . “ De man trok een onschuldig misdienaargezicht en iedereen begon te lachen.

“Ach vent, naait er toch uit. Natuurlijk hedde ‘m gestroopt.”

“Wat is er te lachen?” Frans keek verbaasd. Toen hij het konijn zag liggen pakte hij het op en hield het in de lucht. “Is’t ‘n zieke?” “Nee.”

“ Leg ‘m dan maar in de wagen. “ Opnieuw lachte iedereen.

Frans klom in de bus om zich te verkleden. Hij zag er niet uit als dertig, in zijn groene wollen trui en afgedragen Levi’s. Hij was smal gebouwd als een lange-afstandsloper.

Zijn haar was kort en donker, maar niet meer zo donker als tien jaar geleden. Zijn gelaatstrekken waren scherp en zijn benen

wat gerond, zoals bij de meeste crossers. Iedere keer als je hem zag was hij levendig en opgeruimd, alsof hij nooit zorgen kende. Natuurlijk had hij ze, maar je kwam er nooit achter waar hij ze verborg.

“Zou-ie wat klaar maken in Sint Theunis zondag?” vroeg een man aan niemand in het bijzonder toen Frans vol gas en in het juiste spoor langs kwam.

Hij had bijna een half uur gereden.

“ Sint Theunis zal nie makkelijk worden,” opperde een ander bedenkelijk. “ D’r doen veul goeie mee.” Hij had gelijk. Bijna alle crossers van naam hadden voor Sint Anthonis ingeschreven. “Frans traint eigenlijk te weinig om ‘n goeie kans te maken,” vond iemand.

“Ja, één keer in de week is niet genoeg.” “ Veur Frans is een keer in de week zat,” zei een oude man. Zijn stem klonk krachtig. De oude man was er iedere woensdagmiddag. Hij praatte alleen wanneer het nodig was en dan wist je meteen dat hij het serieus bedoelde. Dan blonken zijn ogen fel, alsof ze door groot licht verblind werden. Voor hem was er maar één crosser. Al vijftien jaar lang. In goede en slechte tijden. Over Frans Sigmans wilde de oude man nooit een kwaad woord horen. “Veur Frans is een keer in de week zat,” herhaalde hij.

“Toch vind ik dat Frans tegenwoordig te veul met ‘t verstand rijdt en te weinig met ‘t hart,” dacht iemand voorzichtig luidop.

“As Frans alleen nog maar met ‘t verstand zou rijden, zou-ie nie meer aan de top staan,” zei de oude man.

“ Veur mij wint den Herlings in Sint Theunis,” bemoeide een jongen van een jaar of zestien zich met het gesprek.

“Wat! Peter Herlings! Nooit nie!” “Hij rijdt anders nie slecht veur ‘t moment. “Hij het geen spieren verstand van crossen.”

“Herlings doet dit jaar anders mee aan alle Grand Prix.”

“Nou en?” “Vorig jaar is-ie ‘n keer tiende geworden in ‘n Grand Prix,” herinnerde de jongen eraan. ,0 ja? Tiende? Nou, dan deden er zeker maar negen mee.”

Zo ging dat. Het waren twee generaties die mekaar telkens naar de strot vlogen. Peter Herlings was een jonge crosser. Net als Frans kwam hij uit Oost-Brabant. De echte supporters van Frans, die veel op de oude man leken en hun favoriet al jarenlang

volgden en hem nooit lieten vallen, vonden Herlings maar een grootsmoel. En de jonge

supporters van Herlings, die van Frans in getal en grofheid ver overtroffen, vonden

Sigmans een opgebrande ouwe zak. “ ‘t Geeft nie hoeveulste Frans zondag wordt,” zeiden zijn supporters altijd. “Zolang-ie Herlings maar veur blijft.”

Frans stopte. Toen hij zijn helm afnam sloeg de damp van zijn hoofd.

“Hoelang heb ik gereden?” informeerde hij. “Veertig minuten,” zei iemand.

Frans knikte. “Da’s genoeg.” Hij veegde zijn gezicht af. “De sporen in de bochten zijn nie meer zo glad hè. Ik kon d’r nie langer lekker doorheen fluiten. En dan; is ‘t linke patat. “

“Ja, ik vond al dadde weinig risico’s nam,” zei iemand kritisch.

“Uhum,” gaf Frans toe. “Maar ik ben al genoeg gevallen.”

* * *

Voor Franske leken de kilometers wel lichtjaren. Natuurlijk wist hij dat het circuit in Sint Anthonis maar twintig kilometer van zijn eigen woonplaats af lag. Zeker wist hij dat. Hij was er vaak genoeg geweest. Zijn broers namen hem altijd mee. Aaaahhgg, dacht Franske iedere keer als hij er kwam, kon ik hier godverdomme ook maar es ‘n keer rijden. Dat was het enige waar hij aan dacht. Maar hij kon niet geloven dat het er ook nog eens van zou komen.

Juist omdat het er wel van kwam, herinnerde Frans Sigmans zich de eerste keer dat hij in Sint Anthonis reed erg goed. Het was 1967 en hij was pas negentien jaar en nog in de groei.

“ Toen ik er veur ‘t eerst moest rijden heb ik er nachten van wakker gelegen. Het was m’n eerste grote wedstrijd. Ik dacht, as ik hier nou es zou kennen winnen. Godver. Winnen. Naam maken. Dat was alles.”

Franske won. Op zijn zelf betaalde motor. Hij vrat ze op. De grote goedbetaalde fabrieksrijders. Torsten Hallman en Joël Robert en Paul Friederichs. Hij reed ze allemaal in de vernieling.

Een jaar later won hij opnieuw. Iedereen werd wild. Twee supportersclubs werden voor hem opgericht. De kranten schreven bladzijden vol over ‘De kleine terriër op zijn brullende Husqvarna’ en ‘De Brabantse crossduivel’. En dat was niet eens overdreven. Hij was gewoon de beste.

“Twee keer achter mekaar in Sint Theunis winnen had nog nooit ‘n Hollander gepresteerd,” vertelde Frans tien jaar later. “Ik was misschien lichamelijk nie zo sterk as die andere crossers, maar mentaal had ik m’n eigen goed voorbereid. Ik was er constant mee bezig geweest. M’n eigen oppeppen. Godver, d’r tegen aan. Da’s goed.

“Nou ken ik dat nie meer. Ik ben te veel met m’n zaak en m’n gezin bezig. Maar toen ik jong was hè . . .”

Na de overwinningen in Sint Anthonis werd Frans overal gevraagd om te komen crossen. Tot in Zweden toe. Hij was populair en kreeg hoge startgelden.

In april 1971 reed Frans een wedstrijd in Veerle, een dorp in de Kempen. Tijdens de eerste manche brak hij zijn linkerbeen op twee plaatsen. Het gebeurde toen hij een achterblijver wilde inhalen. “ Huuuuuhh! Aan de kant!” riep Frans. Hij raakte de ander en gleed weg. Met zijn linkerbeen probeerde hij het gewicht van de motor op te vangen. Waaaaamm! Het leek of er een lasvlam door zijn been schoot. Frans sleepte zich naar de kant en zette zijn helm af. Het zag zwart voor zijn ogen, alsof ze hem van de wereld hadden afgeslagen. Godver, dacht hij, dat is ‘t. Nou is ‘t voorgoed uit.

Vijf maanden later reed Frans weer. In ValIes, aan de kust van Britagne. Het zou zijn tweede cross worden na het ongeluk. Het circuit was hard. Steenhard. Tijdens de training zette Frans zijn linkerbeen uit en het brak.

“Dat duurde opnieuw ‘n half jaar. Ik werd afgeschreven. Iedereen liet me hartstikke dood vallen. Supporters had ik bijna niet meer, ze gingen naar andere crossers. Eén bloemke en een fruitschaaltje heb ik van ze gekregen. De meesten deden of ze me nie meer kenden.

“ Toen dacht ik, godverdomme nog an toe, ik zal ze es laten zien dat ik er nog ben. Dat het me water en bloed gekost. Maar ‘n jaar later was ik tweede in ‘t klassement veur ‘t Nederlands kampioenschap. “

En in 1975 kreeg Frans eindelijk een contract aangeboden. Door Maico, een Duitse motorfabriek. Op een motor van dezelfde fabriek had hij zijn twee ongelukken gehad. Frans tekende en hij ging de Grand Prix- wedstrijden rijden. De crossers die vroeger niks beter dan Frans waren, bleven hem nu ver voor. Roger de Coster en Heikki Mikkola en Gerrit Wolsink. Er kwamen ook jonge crossers opzetten. Brad Lackey en Peter Herlings.

“Na die ongelukken was bij mij ‘t scherpe d’r af. Ik had schrik gekregen. Vroeger kneep ik m’n ogen dicht en gaf gas. Nou denk ik, godver, ik ken er nie afflikkeren want maandag moet ik weer in de zaak staan. Ik hoef nie meer per-se te winnen. “En ach, m’n Maico was ook niet zo sterk as de machines van mannen as Mikkola en Wolsink. Die rijden op Yamaha en Suzuki. Die Japanse merken hebben er veel geld veur over om wereldkampioen te worden.

Die kijken nie op ‘n paar motors en monteurs. Ik wil maar zeggen. Daar is alles perfect verzorgd. Maar ik moest zelf veur alles zorgen. Die Mikkola beurt ‘n kleine drie ton per jaar bij Yamaha. Ik kreeg zo’n tienduizend gulden van Maico. Dat was veur de Grand Prix. Meer hadden ze nie. Daar hield ik niks van over. Toen ben ik vorig jaar gestopt met ‘t grote werk. Het kostte te veel tijd en geld en ik kon die mannen toch nie meer bij houden.”

De Grand Prix. Die vond Frans fantastisch mooi. Er was daar altijd een goede sfeer onder de crossers. Behalve als het erom spande. Als het om de wereldtitel ging. Dan keken ze nergens naar. Dan werd er afgesneden. Dan werden er rijders omgekocht om een ander van de baan te rijden.

“Ja, zo ging dat. En nog steeds. Zeker weten. Maar da’s overal mee. Je laat ’n man ‘n bus geld zien en hij gaat gekke dingen doen. Een hele hoop geld is lelijk. Uhum. Maar toch zal ik ze missen, die Grand Prix. “Misschien was ‘t allemaal anders gelopen as ik die ongelukken nie had gekregen hè. Dan had ik misschien ook zo’n goed contract gehad. Maar ja, ik ben nou ook tevreden hoor, daar nie van. Ik heb uiteindelijk alles in m’n lichaam gebroken wat er te breken viel, en ik rij nog steeds vrolijk mee.”

* * *

Frans vertrok om half negen naar Sint Anthonis. Het was een grijze zondagochtend. De lucht was droog en geladen.

“Gisteren heb ik nog tot negen uur in de zaak gestaan,” zei Frans. “Dat ken eigenlijk nie hè.” Hij zweeg even. “ Maar ach, Sint Theunis is nie meer de cross van m’n leven. ‘t Het veur mij nie meer de speciale betekenis zoals vroeger. Veur de jonge crossers die naam moeten maken is’t ‘n belangrijke wedstrijd. Veur mij nie meer.”

“Maar pas op as-ie straks as eerste de kop vat,” lachte de monteur die naast Frans zat. “Ja, as ik op kop zit moeten ze me nog maar veurbij zien te komen. Uhum. Zeker. Maar as ik bij de eerste vijf rij ben ik ook tevreden. “

Frans reed zijn bus voorzichtig het renners- kwartier in. Het circuit in Sint Anthonis lag vlakbij de kerk midden in het dorp. De racetrack zag er nog vlak en geschaafd uit. Hoewel Frans hier al twee keer gewonnen had, was het niet zijn favoriete baan. Het was niet moeilijk genoeg. Er zaten te veel lange stukken in. Daar hield Frans niet van. Hij was beter in het korte werk. Veel bochten en oplettend sturen. Hoe moeilijker, hoe beter, vond hij.

Tijdens de training gleed Frans in een bocht onderuit. Schakelproblemen. “De koppeling is nie in orde,” zei hij tegen de monteur. “Ineens schoot-ie van z’n drie naar vrij.”

“Mmmmhh. Da’s nie zo goed.” De monteur keek de motor na.

“Ik weet nie hoe erg ‘t is hè,” zei Frans. “ Misschien lag ‘t wel aan m’n eigen. Dat ik verkeerd schakelde. Misschien dat ‘t straks best meevalt. “

Het werd snel drukker. Er waren bijna twintigduizend mensen op het circuit. Twee schatjes van meiden liepen opvallend door het rennerskwartier. Ze droegen zwartleren

motorkleding, van voren diep opengeritst.

“Kijk, daar staat de wagen van Frans Sigmans,” wees een van de schatjes. “Zullen we een handtekening gaan vragen?”

“Hè? Nee,” zei het andere schatje ongeïnteresseerd. Wat moest ze nou met een handtekening van Frans Sigmans. “Ooooohh!” riep ze ineens opgewonden. “Daar staat-ie! Daar!” Ze wees naar de wagen van Peter Herlings. “Kom gauw! Joeoe-hoeoeoe! Peter!”

Het was half twee. Dertig minuten voor de start. Een onvermoeibare speaker en luide muziek probeerden mekaar afwisselend in lawaai te overtreffen.

“De bochten zien er die goed uit,” meende Frans. Hij was de baan nog een keer rondgelopen. Verschillende bochten waren na de trainingsritten al helemaal open gereden. Nerveus was Frans niet. Dat was hij nooit vlak voor de start. Sommige crossers trokken dan wit weg en hadden nergens meer oog voor. Frans niet. Hij praatte meestal wat met de rijder die toevallig naast hem stond. Peter Herlings stond naast hem. “Zitten veel gaten in de baan hè, “ zei Frans. “ Uh huh.” Herlings praatte nooit zoveel. Nou godver zo goed mogelijk proberen weg te komen, dacht Frans toen hij op de startlijn stond. .. VVRROOOOOOOWWW... Hij ging als vijftiende de eerste bocht in. Boven de startlijn bleef een blauwe wolk hangen.

Mikkola reed lang vooraan. Hij was de wereldkampioen. Maar zijn schakelpedaal brak af en Herlings won de eerste manche gemakkelijk. Het publiek, opgezweept door de speaker, hing half over de afrasteringen langs de baan. Ze schreeuwden de winnaar toe en balden hun vuisten in de lucht. “Motorcross supporters zijn erg fanatiek,” had Frans eens gezegd. “D’r is maar één goeie crosser veur ze. Ze lijken er wel aan verslaafd. “

Ze waren ook moeilijk. Soms gooiden ze met zand en bierflesjes, of ze sprongen vlak voor de rijder de baan op. In België gebeurde het geregeld dat de crosser die op kop lag en die toevallig niet de plaatselijke favoriet was, van zijn motor werd getrokken.

Frans kwam als achtste binnen. “ De motor is weer ‘n paar keer uit de versnelling gevallen,” zei hij. De monteur knikte en ging aan het werk. “Op een gegeven moment was ik zesde,” legde Frans uit. “Ik wilde iemand inhalen en de versnelling deed ‘t nie. Toen werd ik ineens door twee man gepasseerd. Anders was ik nog vierde geworden. “Straks wat meer van veuren hè Frans,” zei een supporter aanmoedigend.

Het begon hard te regenen op het moment dat de rijders zich klaarmaakten voor de tweede manche. De lucht was zwart. Alles op het circuit werd monochroom. De toeschouwers onder hun plastic zeilen en de crossers in donkere windjacks.

De enigen die droog zaten, waren de officials en journalisten. In een verwarmd houten gebouw ter hoogte van de startlijn. De officials gedroegen zich druk en voornaam. De jonge journalisten keken verveeld en de oude journalisten verzadigd. De meesten zaten hun verhaal al te schrijven.

“Ouwe Sigmans houdt nog aardig bij,” merkte een jonge journalist meer spottend dan bewonderend op. Frans lag op de vierde plaats, De modder sloeg in zijn gezicht.

“Verdomme, ik moet nog een sfeerstukje schrijven,” zei een ander.

“Dan zal je toch naar buiten moeten.” “Met dit weer! Zóveel verdien ik nou ook weer niet.”

“ Was maar een grapje joh. Je flanst hier gewoon wat in elkaar.”

Frans reed goed. Hij zat net achter Mikkola en Herlings, maar ver voor Wolsink. Zijn stijl was rustig. In de bochten schoof hij ver naar voren en ontweek de gaten zoveel mogelijk. De springschansen nam hij zoals het hoorde. Vlak voor de top gas terugnemen en in evenwicht landen en weer gas geven. De Maico leek oké te gaan.

De regen had de baan zwaar en glad gemaakt. Aan de achterkant van het parcours viel Frans bijna van zijn motor omdat de versnelling weer niet werkte. Iedere ronde verloor hij een paar plaatsen. Vier keer achter mekaar schakelde hij mis. Nou is ‘t genoeg, dacht Frans toen. Ik rij rustig naar de finish. Ik ga geen gekke dingen meer liggen doen. D’r komen nog dertig wedstrijden dit seizoen. Het is jammer, maar pech ken ‘n mens altijd hebben. Daar valt niks aan te doen. Ik win echt nog wel es dit jaar.

“ Wat ‘n voiIligheid hè,” zei Frans. Het zweet stroomde van zijn hoofd. Hij wreef de modder van zijn gezicht.

* * *

De meeste crossers en toeschouwers vertrokken zo snel mogelijk. Bijna niemand luisterde meer naar de oproep van de speaker om nog tot de huldiging van winnaar Peter Herlings te blijven.

Frans zat in de cabine van zijn bus uit te rusten. Hij zag er moe uit. Het zat hem dwars dat hij was uitgevallen. “D’r mankeerde te veel aan de motor,” zei hij. “Maar ‘t viel nie te verhelpen. Ik ben nog nie helemaal aan deze Maico gewend hè. Vorig jaar reed ik Husqvarna en die motor heb ik nog te veel in m’n kop. Vooral de start gaat nog nie zo goed. Maar dat komt wel gauw.” Frans rekte zich uit. “ En ik voelde me vandaag ook nie zo fit. Veur de wedstrijd was ik al flauw en slap.”

“Je gaat te laat naar bed,” zei zijn vrouw. Ze was ‘s middags naar het circuit gekomen. “Eigenlijk zou ik van zeven tot zeven moeten slapen. En vaker trainen. Dan zou je nog es wat zien.”

“Doe ‘t dan.” , Frans haalde de schouders op. “Nee, da ken nou nie meer.”

“Heeft pappa gewonnen?” vroeg Frans’ zoontje. Hij had op de achterbank liggen slapen.

“Nee,” zei zijn moeder. “Maar vroeger het pappa hier al twee kransen gewonnen.” “ Vandaag nie,” zei Frans. “Ik zei ook vroeger.”

“Kom. We vertrekken.”

“Moeten we nie meer kijken naar de prijsuitreiking?” ,

Frans schudde nee. “We gaan naar huis.” “Gaan we onderweg nog ergens eten?” “Nee.”

“En dat had je beloofd!”

“ We gaan naar huis.” Frans trok het portier dicht en schakelde de bus in versnelling en

reed langzaam door de regen weg. .


Paul van Engen.